Doorgaans wordt in een samenlevingscontract overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit arbeid). Men kan ook kiezen voor een verdeling van de helft maar dat kan tot problemen leiden als één van beiden weinig of geen inkomen geniet, bijvoorbeeld als gevolg van verzorgende en opvoedende taken. Als inkomsten wordt doorgaans ook beschouwd wat daarvoor in de plaats treedt, zoals studietoelagen, sociale uitkeringen en pensioen.
Het verdient vaak aanbeveling te omschrijven wat zoal onder de kosten van de huishouding wordt begrepen. Rente (betreffende de woninghypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten, onroerende zaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder worden begrepen. Het is vaak ook verstandig om te omschrijven wat onder inkomen wordt verstaan.